Vaak hebben we niet onmiddellijk de kern van d eboodschap mee. Vaak zitten w evast aan vooroordelen. Soms moeten we het gehele verhaal situeren. Het dochtertje van Jaïrus zegt niet direct iets over haar zelfn en toch?

Sylverster Lamberights koppelde de twee verhalen.

jaïrus

 

De onreine vrouw

Jezus geloven en blijven geloven

De vrouw met bloedvloeiing

Er was eens een vrouw. Haar naam wordt niet genoemd. Zij is er erg aan toe. Al twaalf jaar lijdt zij aan bloedvloeiïng. Zij is afgeschreven. Bovendien is zij wettisch onrein (Lev 15: 25). Dat betekent dat alles wat zij aanraakt ook onrein wordt. Dokters kunnen haar niet helpen, wel van haar geld afhelpen.. Zij hoort over Jezus spreken. Hij schijnt in de buurt te zijn. Misschien kan Hij genezing brengen. Zij spoedt zich naar Hem toe. Zwijgend baant zij zich een weg doorheen de menigte. Zij denkt: Als ik slechts zijn kan aanraken, zal ik genezen zijn (5: 28). Het lukt haar. Zij raakt de mantel van Jezus aan. Terstond voelt ze in haar lichaam dat ze genezen is.

Wonderlijk! Door de aanraking van de onreine vrouw wordt Jezus op zijn beurt niet onrein. Precies het tegenovergestelde gebeurt. De onreine vrouw wordt rein. De dode wordt weer levend. Het contact met Jezus maakt een mens schoon. Jezus is de bron van leven. Wie hem aanraakt leeft.

Toch is de vrouw op dit ogenblik nog niet tot een persoonlijke geloofshouding gekomen. Dat ge­beurt in het tweede gedeelte van het verhaal. Jezus keert zich om. Hij vraagt wie Hem heeft aange­raakt. De vrouw voelt zich duidelijk geviseerd. Zij is bang. Want als wettisch onreine vrouw mocht ze zich niet zomaar tussen het volk begeven. Ze zou kunnen vluchten.

Maar neen, dat doet ze niet. Ze ris­keert zich opnieuw. 2e zet een nieuwe stap in de richting van Jezus, die haar zoekt. Zo is het al­tijd met Jezus. Wanneer je naar Hem op zoek gaat, blijkt telkens dat Hij ook naar jouw op zoek was. De vrouw werpt zich voor Jezus neer en bekent Hem de hele waar­heid (5,33). Een veelzeggende zin is dat. Jezus vertrouwt zij hele­maal. Aan Hem spreekt zij haar hart uit. Bij Jezus durft zij echt zijn. Bij Hem kan zij eindelijk terecht met de hele waarheid van haar leven. Hij verdient volledig krediet. In het parallelverhaal van Lucas wordt bovendien gezegd dat de vrouw haar verhaal doet ten aan­horen van al het volk (8,47). Iedereen mag het horen en weten. De vrouw heeft de reddende kracht van Jezus persoonlijk erva­ren. Zij weet nu dat haar lijden en haar hoop bij Jezus niet onopge­merkt zijn gebleven. Dat kan zij niet zwijgen. Aan iedereen die het wil horen bazuint zij uit hoe Jezus haar in haar nood geholpen heeft. Zo wordt de vrouw in Lucas' versie voorgesteld als een missionaris, die vurig getuigenis aflegt van Jezus als redder. Dan spreekt Jezus haar toe. Hij noemt haar dochter. Zo biedt hij aan deze vrouw, die zolang uit de gemeen­schap gestoten was, een nieuwe gemeenschap aan. Deze nieuwe gemeenschap is de familiege­meenschap van Gods kinderen, die elkander als broer en zuster bejegenen. In deze familie is de een niet meer dan de ander. In liefde leeft men er voor elkaar, open en onvoorwaardelijk. Uw geloof heeft u gered, zegt Jezus tot de vrouw. Hij zegt niet: lk heb u gered, maar wel: uw geloof. Alles wat tot hiertoe in het verhaal ter sprake werd gebracht, heel de levensgeschiedenis van deze vrouw, wordt door Jezus samen­gevat met de woorden: uw geloof. Uit dit verhaal kunnen we leren wat geloven is. Het is veel meer dan in zijn hart vrome gevoelens koesteren of een riitje geloofswaarheden van buiten kunnen opzeggen. Geloven is hopen op beter. Zich niet bij een onheils si­tuatie neerleggen. Er iets aan doen. Opstaan en op zoek gaan naar Jezus. Het menselijk opzicht overwinnen. Uitstijgen ook boven je eigen angsten. Weerstanden in en buiten jezelf doorbreken. Uit de anonieme massa naar voor durven treden en kleur bekennen. Je verhaal doen aan Jezus en hem de hele waarheid van je leven toever­trouwen. Je laten opnemen in de familiegemeenschap van Jezus, waar alle mensen broers en zus­ters zijn. Verkondigen aan ieder­een die het horen wil dat het con­tact met Jezus een mens goed doet en beter maakt.

Het dochtertje van Jaïrus

Marcus verbindt graag twee verha­len door invoeging van een van beide in het andere. Het is de zo­genaamde tang-constructie, ook wel eens sandwich-techniek ge­noemd. We treffen ze o.m. aan in het hier besproken evangelieverhaal. Het verhaal over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. (5: 21-24.35-43) wordt er onderbroken door het verhaal over de genezing van de vrouw met de bloedvloeiing (5: 25-34). Onderweg naar Jaïrus wordt Jezus door de vrouw met de bloedvloeiing opgehouden. Daardoor zal hij schijnbaar té laat bij Jaïrus arriveren. Men komt Jaï­rus onderweg immers de bood­schap brengen dat zijn dochtertje ondertussen reeds overleden is en dat het derhalve geen zin heeft Jezus nog langer lastig te vallen. De situatie is immers hopeloos. Maar Jezus zegt tot Jaïrus: Wees niet bang, maar blijf geloven (5: 36). Dit zinnetje staat centraal in het verhaal. Reeds voorheen had Jaïrus blijk gegeven van een sterk geloof, door naar Jezus toe te komen, hem te voet te vallen en hem te smeken zijn stervensziek dochtertje te genezen. Maar nu is zijn dochtertje dood. Nu is er geen hoop en geen toekomst meer. Nu is geen redding meer mogelijk. Zo lijkt het tenminste. Daarom zegt Jezus aan Jaïrus en Marcus aan zijn lezers dat zij moeten blijven geloven. Blijven geloven! Ook als je situatie uitzichtloos en hopeloos lijkt. Blijven geloven! Ook als je machteloos en ten einde raad bent. Blijven geloven! Ook als je enkel dood, failliet en mislukking om je heen ervaart. Blijven geloven! Ook als je de indruk hebt dat zelfs Jezus geen oplossing meer kan brengen, dat hij onherroepelijk te laat komt of dat hij je in de steek laat. Blijven geloven! Ook al is het geloof een levensgroot probleem geworden en een aanfluiting van elke menselijke logica. Blijven gelooven! Ook als buitenstaanders Jezus uitlachen en zijn volgelingen grote naïevelingen vinden. Blijven geloven! Ondanks en desnoods tegen alle hoop in. Dat alleen helpt. Altijd. Ook in ons verhaal. Jezus zegt tot het meisje: Talita koem. Dat betekent: Meisje, sta op. En het doodgewaande meisje staat op.

Dit oudste opwekkingsverhaal uit het evangelie mogen we niet lezen als een krantenbericht. Het is predicatie in verhaalvorm. Het gaat hierin niet allereerst om het dochtertje van Jaïrus. Ten diepste gaat het om Jezus, die de verrijzenis en het leven Jezus is. Wie in Jezus gelooft die zal leven, ook al is hij gestorven. Daar gaat het om opwekking van Jaïrus dochtertje is daar een teken van, een teken van Jezus' overwinning op de dood, een teken van Zijn verrijzenis. Niet het historisch gebeuren is het belangrijkste, want Jaïrus dochter is later, hoe dan ook weer opnieuw gestorven. Ons geloof in het eeuwig leven mag dan ook niet steunen op enkele evangelieverhalen over doden die werden opgewekt en daarna weer gestorven . Deze verhalen zijn niet het fundament, maar veeleer de vrucht van dit geloof. Undament is en blijft Jezus, die de verrijzenis en leven is. Wie in Jezus gelooft zal leven, zelfs al sterft hij. Op een verhalende en aanschouwelijke wijze probeert Marcus dit in het verhaal van de opwekking van Jaïrus dochtertje te verkondigen. Hij doet dit opdat wij zoudoen geloven!

 

Sylvester Lamberightsjaïrus